Toelichting orgelconcert Zaltbommel

Op zaterdag 20 augustus geef ik een orgelconcert om 16:00 in de  Sint-Maartenskerk Zaltbommel.

Hieronder de toelichting bij het programma, meer informatie over concerten op http://bertvanstam.nl/agenda.htm.

Johann Sebastian Bach (1685-1750) – Toccata in d kl., BWV 538

Bachs Toccata in d kl. is vermoedelijk ontstaan tussen 1714 en 1717. In die tijd was Bach organist van de Hofkapel te Weimar. Hij kwam er in aanraking met allerlei buitenlandse muziek. Zo bewerkte hij veel muziek van o.a. Vivaldi voor orgel en klavecimbel. Deze Italiaanse sfeer hoor je duidelijk in zijn orgeltoccata terug. Met het orkest op het ene klavier, en de solist op het andere klavier is het een onvervalst 'concerto grosso'. Maar dan met het verschil dat Bach er zijn onnavolgbare genialiteit aan toevoegt: stemmen die op hetzelfde moment dwars tegen elkaar ingaan, ritmische verschuivingen en harmonische imitaties.Deze virtuoze toccata is het enige orgelwerk van Bach waarin gedetailleerde klavierwisselingen genoteerd staan. Hoewel de autograaf (Bach’s eigen handschrift) verloren is gegaan, mogen we aannemen dat dergelijke klavierwisselingen alleen door Bach zelf kunnen zijn bedacht. Het is duidelijk dat hij dit stuk heeft gedacht als een tweegesprek, een dialoog tussen twee "personen" die voortdurend op elkaar reageren, elkaar becommentariëren, kortom steeds met elkaar in gesprek zijn.

Michael Radulescu (1943) – Ricercari

Radulescu is een Roemeense organist componist, die nu woont en werkt in Wenen. Hij is erg geïnteresseerd in middeleeuwse en renaissance-muziek, en laat zich daardoor ook graag inspireren.In 1984 schreef hij de 'Ricercari', die opgedragen werden aan de Canadese organiste Monique Gendron. Het werk is sterk geïnspireerd op middeleeuwse vormen, zoals de titels ook al doen vermoeden.  Op die manier klinkt in dit werk zowel de oudste als de nieuwste muziek van dit concert.Net als Olivier Messiaen, heeft Radulescu eigen toonsystemen ontwikkeld. De toonladders die in de 'Ricercari' gebruikt zijn, herhalen zich echter niet elk octaaf, maar strekken zich als het ware over het hele klavier uit.

De titel van het eerste deel, 'Organa', is ontleend aan de alleroudste vorm van meerstemmigheid: het 'organum', waarbij stemmen elkaar met een vaste onderlinge afstand volgen. Dit wordt in een ijzeren ritme in de linkerhand gespeeld. Een groter contrast is niet mogelijk als daartegenover in de rechterhand een beweeglijke, éénstemmige melodie klinkt: als een bezwerende middeleeuwse fluitspeler. Toch ontmoeten beide lijnen elkaar in het stuk.

In het tweede deel, 'Versus', klinkt weer zo'n beweeglijke melodie, maar nu veel grilliger en scherper. “Scherp en prikkend, alsof iemand de duisternis probeert te doorboren,” zo omschreef Monique Gendron het deel. Deze melodie laat wel haar sporen na: op de achtergrond groeit langzaam een akkoord. Het deel eindigt met een anticlimax waarin het ontwikkelde akkoord tenslotte weer langzaam oplost.

Meteen daarna start het laatste deel. De naam 'Estampie' komt bij een middeleeuwse dansvorm vandaan. Het stuk kent een sterke ritmische drive, die maar één keer echt onderbroken wordt. Monique Gendron schreef over dit deel: “dansend, jubelend en uiteindelijk wervelend.” Doordat je als luisteraar voortdurend een zet in je rug krijgt, word je volledig meegezogen naar het slot van het stuk.  

Max Reger (1873-1916) – Fantasie en fuga in d kl., Op. 135B

Net als Radulesco zo geïnspireerd wordt door middeleeuwse muziek, zo was Max Reger een bewonderaar van Bach en zijn muziek. Zijn uitspraak “Bach ist Anfang und Ende aller Musik” (Bach is het begin en het einde van alle muziek) is erg bekend.De muziek van Max Reger wordt tot de laatromantiek gerekend: romantisch, zo extreem, dat het bijna uit zijn voegen barst. Hij combineerde de lyriek en grilligheid van de romantiek met de strenge vormen en het prachtige contrapunt van Bach. Later in zijn leven begon hij echter steeds kleinschaliger te componeren: kortere stukken, die lichter van karakter en minder in contrasten geschreven zijn.De Fantasie en fuga in d kl. werd geschreven in 1916, het laatste levensjaar van de componist. Het lijkt wel alsof de componist in dit werk nog één keer laat horen wat hij in zijn vroegere jaren deed. Alle extreme contrasten, alle grilligheid en de meest bizarre harmonische ontwikkelingen die hij kon bedenken worden samengebald in dit werk van twintig minuten.Uit een introductie als een waterval komt meteen een stralend d-majeur akkoord tevoorschijn. Mysterieuze, verstilde muziek in één of twee lange lijnen, wordt afgewisseld met complexe muziek vol donderende adrenaline, en wanneer er een oplossing lijkt te komen gaat de muziek toch weer verder van huis. Uiteindelijk komt het goed in een d-groot akkoord.

Hierna start de fuga, een meesterwerk. Het eerste thema is een extreem langzame, prachtig lyrische melodie waarin 11 van de 12 chromatische tonen voorkomen. Wanneer we dit thema van alle kanten hebben gehoord, wordt het tweede thema geïntroduceerd. Dit is, in contrast met het eerste thema, een puntig, dansend ritme. Het klinkt zelfs sarcastisch, met al de harmonische wendingen, de plotselinge groepjes gebonden noten, en het niet al te hoge tempo. Een 'kikkerdans'. Ook dit thema wordt ontwikkeld, maar dan komt het eerste thema weer tevoorschijn. Beide thema's worden gecombineerd. Onstuitbaar komt de muziek over ons heen; steeds sterker en steeds langzamer, steeds zwaarder, alsof het slotakkoord geboren moet worden. En natuurlijk gebeurt dat uiteindelijk: D-MAJEUR!

IMG4121Z

Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788) – uit Sonate in f gr., WQ 70/3, H 84

Het is jammer dat Carl Philipp altijd in de schaduw van zijn vader zal blijven staan. Zijn muziek  kent een heel eigen stijl, die nog het beste met het woord 'elegant' omschreven kan worden.Hij schreef veel muziek voor klavecimbel, en ook wat sonates voor orgel.Net als de muziek die tot nu toe geklonken heeft, is het eerste deel van de sonate in f groot gebaseerd op 'contrast'. Het verschil is dat deze muziek niet zwaar en groots is, maar juist kleinschalig en gezellig klinkt. Net als in de toccata van de vader van Carl Philipp wordt het contrast hier gerealiseerd door klavierwisselingen. Het is alsof een man en een vrouw met elkaar in gesprek gaan. Elk van beiden met het eigen stemgeluid herhalen, beantwoorden en beïnvloeden ze elkaar.

Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) – Sonate nr. 1 in f kl., Op. 65/1

Wederom een werk dat gebaseerd is op het contrast tussen twee uitersten. Het eerste deel kan gezien worden als een stevige preek, met als thema de tekst “Wass mein Gott will, das g'scheh' allzeit”. Na een statige inleiding klinkt onrustige muziek (de mens die zich niet wil overgeven aan de wil van God?). Stemmen buitelen over elkaar heen op een fugatische manier. Deze opgewonden muziek houdt plotseling op om plaats te maken voor een langzaam gespeelde regel van het koraal van “Wass mein Gott will…” (de overgave aan God?). De onrust geeft zich echter niet zomaar gewonnen en probeert het nog maar eens. Zo wisselen onrust en overgave elkaar af tot ze aan het eind bij elkaar komen.Na deze stevige 'preek' klinkt een 'vroom antwoord van de gemeente': het tweede deel. Het kan ook gezien worden als een 'Lied ohne Worte', maar dan voor orgel. Prachtige lijnen wisselen elkaar in vraag- en antwoordvorm af. Hierna keert het contrast weer terug in het derde deel; een vrije stem ('recitando') afgewisseld met akkoorden die staan als een huis. Na een lange koraalachtige lijn, die weer terug doet denken aan het eerste deel, wordt aangevallen met het laatste deel. Een bruisende finale golft over ons heen. Na een laatste 'golf' over het hele klavier wordt de sonate luid en duidelijk afgesloten.

Bert van Stam, augustus 2011

11 August 2011
By on 20:16
Oslo-aanslagen dankzij internet…

Dag bloglezer,

je leest blijkbaar blogs, en daarom moet je deze absoluut lezen! Dit is namelijk ook een blog, maar deze gaat over de schaduwzijden van weblogs, over de gevaarlijke kanten van internet.

Wat is de boodschap? Oslo 22 juli had nooit kunnen gebeuren zonder internet, zonder weblogs. Breivik was namelijk geen christenfundamentalist, hij was vooral een internetter! Een 'copy-paste-terrorist', zoals hij in de Pers werd genoemd.

Altijd als er iets gruwelijks gebeurt, willen we weten hoe dat gekomen is. Hoe is de dader zo ver gekomen? Zo ook na Oslo 22 juli. Hoe komt iemand zo ver? Die vraag wordt dan vaak snel en makkelijk beantwoord. De dader krijgt een etiketje opgeplakt, waardoor hij bij een groep mensen hoort waar je zelf zo ver mogelijk vanaf staat. Een atheïst noemt Breivik graag 'christenfundamentalist', links noemt hem 'extreem rechts' en Wilders noemt hem 'gestoorde gek', omdat hij denkt dat hij dat zelf niet is. Met andere woorden: ik doe zoiets niet, boven zo iemand ben ik mijlenver verheven!

Men wil graag het verschil tussen Breivik en zichzelf zo groot mogelijk maken. En omdat iedereen wel eens dingen doet achter een computer, worden de gamende of de internettende Breivik niet zo vaak gepresenteerd. Want als we op één of ander punt, in bepaalde bezigheden op Breivik lijken, hebben we iets uit te leggen. Misschien moeten we zelfs wel ons gedrag aanpassen…
Inderdaad: ons internetgedrag. En tegelijk moet ons stoere idee van vrijheid op de schop. Waarom? Hieronder staan drie redenen.

Allereerst: Web 2.0, onbeperkte beschikbaarheid van informatie, instant reageren, wat mooi allemaal. We zijn er trots op en we zijn er blij mee. En we hebben niet door dat dit tegelijk ontzettend gevaarlijk is, in de handen van een gek. Alle informatie is binnen handbereik, en dan heb ik het nog niet eens over recepten voor bommen. Ook ideologische artikelen die het wereldbeeld aantasten van mensen die daar gevoelig voor zijn. Hitlers Mein Kampf was een verboden boek, maar op internet gewoon te lezen. Breivik had grote stukken overgenomen uit de verklaring van 'Unabomber', in veel opzichten zijn voorbeeld. Misschien moeten we toch maar niet zo hard meer roepen dat de Chinese censuur alleen maar slecht is…

Verder is internet nog op een heel andere manier gevaarlijk. Je ziet namelijk dat van elke discussie de internetvariant er veel feller aan toe gaat dan de real-life versie. Ook al gaat het over je favoriete paardenras of muziekinstallatie, op een forum of weblog wordt een meningsverschil veel sneller een strijd op leven en dood dan op een terras of feestje. Hoe dit komt? Ik denk dat de woorden anonimiteit, afstandelijkheid en onpersoonlijkheid daar veel mee te maken hebben, maar daar gaat dit artikel niet over. Feit is dat we ons op internet extremer uitdrukken en dat de emoties er sneller en hoger oplopen.

Ten slotte, en dat is misschien nog wel het belangrijkste: het moderne internet verkleint je denkwereld! Er is geen sociale controle, het doodt de creativiteit en het geeft geen feedback.Door de onbeperkte beschikbaarheid van informatie moet je selecteren. Je gaat niet meer af op het aanbod, maar wordt alleen maar gestuurd door je eigen voorkeur en interesses. Je komt niet in aanraking met nieuwe dingen; dit is dodelijk voor de creativiteit.Dit effect wordt nog eens versterkt door de ontwikkeling van 'Web 2.0', 'user-generated content' enzovoorts. Wanneer je bepaalde extreem-rechtse denkbeelden hebt, ben je in extreem-rechtse lectuur geïnteresseerd. Zo voed je je eigen visie, bevestig je je eigen denkbeelden. Je radicaliseert. Internet geeft geen feedback, en het wordt volgens de nieuwste ontwikkelingen ook steeds volgzamer. Gevaarlijk! Als je over je ideeën praat met mensen, kun je nog iemand tegenkomen die zegt: “hé, daar maak je een denkfout, je zou eens wat van die of die moeten lezen, die denkt daar heel anders over!”, je leest dat en je bent minder wereldvreemd. Of dat doe je niet, en diegene geeft je hopelijk aan bij de politie. Maar als je zoektocht naar nieuwe informatie zich alleen op internet afspeelt, ben je verstoken van enige feedback of sociale controle. Dat is onze nieuwe vrijheid! Je doet wat je wilt, je denkt wat je wilt, en je raakt steeds meer vastgeklit in je eigen ideeën. Het fenomeen is natuurlijk van alle tijden, maar internet helpt ons hier wel erg goed mee.

Geloof je dit verhaal niet? Er zijn op internet talloze voorbeelden te vinden van wereldvreemde ideeën, naïeve denkbeelden en beperkte levensvisies. Mensen bij wie blijkbaar bovenstaand proces zich voltrokken heeft, en die een website bij hun luchtkastelen hebben gemaakt. “Nederland onoverwinnelijk door meditatie”, “Nieuwe wereldorde!!!” “Terug naar de Romeinse economie” zijn enkele titels die je dan tegen kunt komen. Een beetje raar.
Wat is nu de boodschap? Blijkbaar worden mensen een beetje raar in hun hoofd door het onpersoonlijke, volgzame, geestdodende internet. En sommige mensen worden dan niet alleen een beetje raar, maar ook dodelijk gevaarlijk. Dat soort mensen (gestoorde gekken, volgens Wilders) zijn er altijd geweest en zullen er altijd blijven. Nu krijgen ze alleen meer kansen en zijn ze schadelijker. Dat is het prijskaartje wat hangt aan ons geliefde, ongecensureerde, onbeperkte internet.

2 August 2011
By on 17:07
De zon schijnt, dus een gedichtje

Bloem

I

haar huid schitterend
in de zon de hele dag
en ik kijk naar haar

haar kleur verblindend
als een verse markeerstift
en ik kijk naar haar

en ze ruikt lekker
en ik kijk naar haar

en ik kijk maar ik
weet niet hoe ze heet
ben niet zo goed in bloemen

II

haar huid verschroeiend
in de zon de hele dag
en het regent niet

haar kleur vervaagt als
uitgedroogde markeerstift
en het regent niet

haar geur vervliegt want
het regent maar niet

en ik kijk wel maar
het is er niet meer
en de foto was te laat

1 June 2011
By on 15:49
Verhalenwedstrijd

De six-word-story is hip, dank zij de wedstrijd van Nightwriters. Ik vind het een beetje flauw. In zes woorden kan je toch geen verhaal kwijt? En geen enkele spanningsboog past in zes woorden.

Om tegenwicht te bieden zet ik hier een wedstrijd op voor verhalen van acht woorden. U kunt uw voorkeur uitspreken door te reageren of mij te sms'en. De uitslag maak ik dan te zijner tijd bekend en daarover kan worden gecorrespondeerd.

Hier de acht verhalen van acht woorden die meedingen naar een of andere prijs:

1.
Nee, die naam ken ik niet, misschien hiernaast?

2.
Hij schreef: “sorry, mama, ik kon niet anders.”

3.
Schat, wat moet ik nu met dode hamsters?

4.
En nu had hij er wel over nagedacht.

5.
Nee, papa, ik ben ook Clairy Polak niet.

6.
“Ik vergeef je,” zei hij na jaren zwijgen.

7.
En toch blijft ze mijn kleine lieve zusje.

8.
Welkom terug. We eten om zes uur, boerenkool.

 

15 April 2011
By on 18:28

Beste lezer,

 

Sorry dat ik u even vergeten was, maar u weet vast wel hoe dat gaat. Hierbij als goedmakertje drie gedichten die ik eerder heb gebruikt voor een praesidiaaltje van het dispuutsblad van de C.S.F.R. Delft (ja, als u het niet wist, ik ben voorzitter van deze christelijke studentenvereniging).

 

1. Poëzie bestaat niet, het rijmt alleen

poëzie bestaat niet

het rijmt alleen

omdat het siert

poëzie bestaat niet

het rijmt alleen

als jij dat vindt

op hypo-allergeen

poëzie bestaat

het rijmt niet alleen

maar met iets anders

sinds jij met twee

ogen dicht

2. Jobs goud en zilver

 

Zeven dagen,

geen enkel woord.

Slechts hij die weent,

zijn tranen stort.

Zeven dagen.

Een woord is te veel,

alle taal schiet tekort.

Maar hij die weent gaat spreken als hij nooit gedaan heeft:

hij wil niet leven, er niet zijn en niet bestaan.

De zeven dagen stilte zijn totaal vergeten:

het klopt niet wat hij zegt, ze zijn met hem begaan.

Hij moet tot inzicht komen, dat is hun vermoeden,

en dus wordt hij door hen verbaal en sterk vermaand.

De beelden zijn Bijbels, ze spreken veelzeggend.

Ze hebben talent, ze verwoorden het treffend:

Orkaan en het oordeel, verschrikking,

de vlammen, een vloedgolf, vertering,

verwoesting.

Drie vrienden

voeren het woord

tot hij die weent,

zijn tranen stort.

Drie vrienden.

Hun woorden zijn te veel,

het is taal die vermoordt.

3. Sonnet

 

talent voor taal dat heeft niet iedereen

bijvoorbeeld is de een zeer welbespraakt

zijn zeggingskracht je kunt er niet omheen

zijn eloquentie is het die je raakt

hij houdt van woorden en van iemand anders

ze lijkt wel op een roos die pas ontplooid is

en op een zomerzon die schijnt op akkers

een kudde geiten als het beeld maar mooi is

de ander is met woorden niet zo goed

stelt zij die vraag dan zegt hij waarom niet

meer zeggen is niet nodig dit is goed

wat ik bedoel dat snap je toch of niet

geen nutteloze taal je kunt wel goed

gebekt zijn maar dan heb je het nog niet

23 February 2011
By on 08:27
Poëzie

Beste lezer,

Sorry dat ik u even vergeten was, maar u weet vast wel hoe dat gaat. Hierbij als goedmakertje drie gedichten die ik eerder heb gebruikt voor een praesidiaaltje van het dispuutsblad van de C.S.F.R. Delft (ja, als u het niet wist, ik ben voorzitter van deze christelijke studentenvereniging).

1. Poëzie bestaat niet, het rijmt alleen

poëzie bestaat niet
het rijmt alleen
omdat het siert

poëzie bestaat niet
het rijmt alleen
als jij dat vindt
op hypo-allergeen

poëzie bestaat
het rijmt niet alleen
maar met iets anders
sinds jij met twee
ogen dicht

2. Jobs goud en zilver 

Zeven dagen,
geen enkel woord.
Slechts hij die weent,
zijn tranen stort.
Zeven dagen.
Een woord is te veel,
alle taal schiet tekort.

Maar hij die weent gaat spreken als hij nooit gedaan heeft:
hij wil niet leven, er niet zijn en niet bestaan.
De zeven dagen stilte zijn totaal vergeten:
het klopt niet wat hij zegt, ze zijn met hem begaan.
Hij moet tot inzicht komen, dat is hun vermoeden,
en dus wordt hij door hen verbaal en sterk vermaand.

De beelden zijn Bijbels, ze spreken veelzeggend.
Ze hebben talent, ze verwoorden het treffend:
Orkaan en het oordeel, verschrikking,
de vlammen, een vloedgolf, vertering,
verwoesting.

Drie vrienden
voeren het woord
tot hij die weent,
zijn tranen stort.
Drie vrienden.
Hun woorden zijn te veel,
het is taal die vermoordt.

3. Sonnet

talent voor taal dat heeft niet iedereen
bijvoorbeeld is de een zeer welbespraakt
zijn zeggingskracht je kunt er niet omheen
zijn eloquentie is het die je raakt

hij houdt van woorden en van iemand anders
ze lijkt wel op een roos die pas ontplooid is
en op een zomerzon die schijnt op akkers
een kudde geiten als het beeld maar mooi is

de ander is met woorden niet zo goed
stelt zij die vraag dan zegt hij waarom niet
meer zeggen is niet nodig dit is goed

wat ik bedoel dat snap je toch of niet
geen nutteloze taal je kunt wel goed
gebekt zijn maar dan heb je het nog niet


By on 08:27
Diesrede: de oude man met de diamant

Onlangs vierden we de zestigste verjaardag van het dispuut Johannes Calvijn, uitgaande van de C.S.F.R. Tijdens het diesgala mocht ik mijn praesidiale diesrede uitspreken. Hieronder de volledige tekst van dit lange, saaie en onbegrijpelijke verhaal…

(leestijd: ca. 15 minuten; muziektip: François Couperin – Les Barricades Mystérieuses)

Amicae, amici, het is een wonder dat ik hier nog sta! Afgelopen dinsdag, op 12 oktober, maakte ik iets mee waarvan ik u wel moet vertellen, en ik kan u niet eens beloven dat het luchtig zal worden! Nee, integendeel, ik heb juist grote fouten gemaakt; nu moet ik mijn geheim prijsgeven, en u heeft een primeur vanavond.

Al jaren ben ik betrokken bij een geheim internationaal project, waarin onderzoek gedaan wordt naar tijdsbeleving. Nadat Einstein de tijd afhankelijk heeft gemaakt van de lichtsnelheid, is men gaan onderzoeken hoe deze toestanden kunstmatig te beïnvloeden zijn. Ik zal u niet vermoeien met alle technische details, er zijn tenslotte ook gasten vanavond, maar het komt er op neer dat er vorig jaar een instrument is ontwikkeld waarmee we kunnen reizen in de tijd. 'De Javu', heet het instrument. Zelf ben ik betrokken geweest bij allerlei tests rond het apparaat, en ik heb al verschillende kruistochten in spijkerbroek rondgelopen. De laatste ontwikkeling van 'De Javu' was een mogelijke koppeling aan de personal computer.

Stiekem wilde ik hier afgelopen dinsdag gebruik van maken. Zoals u weet was dinsdag de Dies Natalis van ons mooie dispuut, en het leek me geweldig om op die dag de Leidse buskruitramp van 12 januari 1807 mee te maken. Dus ik nam lekker een glas thee, kroop achter mijn computer, sloot 'De Javu' aan en tikte het woord 'buskruitramp' in. Op dat moment ging er iets verschrikkelijk mis. Mijn glas thee viel om, over mijn toetsenbord, en 'De Javu' ging al aan de slag voordat ik de naam 'Leiden' in kon typen. Zodoende raakte ik betrokken bij een andere gigantische buskruitramp…

Het was 12 oktober 1654. Een gigantische lichtflits en een enorme dreun vervulden het luchtruim van west-Nederland. In de binnenstad van Delft was een krater geslagen. Ik bevond mij in de woning van Johannes Vermeer en keek om mij heen. De tijd leek mij eveneens geëxplodeerd, dit verschrikkelijke moment was een eeuwigheid voor mij, ik keek om mij heen en zag alles in slow-motion. Op de tafel stonden de prachtigste schalen met het heerlijkste voedsel. In de hoek stond een doek met daarop een verbijsterend mooi schilderij. Het heette 'de oude man met de diamant'. Om de tafel zaten allerlei mensen, met verschrikte en verbijsterde gezichten, en de een was nog mooier uitgedost dan de ander, een raar contrast. En een paar ervan herkende ik wel. Helemaal links van mij zat Guiljemus Saldenus, de dominee, onmiskenbaar. Hij had een zwart keppeltje op, waar aan alle kanten grijze lokken onder vandaan kwamen. Zijn witte boord stak prachtig af bij het zwart van zijn jas. Hij had duidelijk gezag, en keek met een ernstige blik rond. Naast hem zat Willem van Erven, de tegelbakker. Hij maakte de prachtigste dingen in blauw en wit, en verdiende daar goed aan, begreep ik later. Hij zag er van top tot teen punctueel verzorgd uit. En natuurlijk waren daar Johannes Vermeer, en zijn vrouw Catharina. Allebei hebben ze lang, donker, krullend haar, maar dat was dan ook de enige overeenkomst. Verder waren ze in alle opzichten uitersten: Johannes met een nonchalante stoppelbaard, Catharina met een gepoederde neus. Johannes, die met gebogen hoofd vriendelijk de wereld inkijkt, Catharina die haar ogen minzaam over iedereen laat gaan.

De oude man met de diamant Er waren nog meer mensen, maar die herkende ik niet. En ik had ook geen tijd meer om ze te bestuderen; de storm nam de overhand over de stilte. Langzaam begon iedereen te beseffen dat hier iets ongekends had plaatsgevonden. Het eerste hart wat weer begon te slaan, was van Catharina. “Het einde van de wereld, dit is het einde van de wereld!” perste ze uit haar keel, en ze probeerde een kruisje te slaan, maar ze kreeg haar arm niet in beweging. Sommige mensen moesten zenuwachtig lachen, de stilte was doorbroken, langzaam maakte iedereen zich los uit het moment, en het werd een chaos die mij in de verte deed denken aan het brassen en zooien op een WiCo. Alles schreeuwde door elkaar heen, maar Johannes antwoordde zijn hysterische vrouw: “ik denk het niet hoor, vrouw, dat dit het einde van de wereld is. Er staat dat alle elementen zullen vergaan, maar ons huis staat er nog.” Hij stak een kaars aan, die echter onmiddellijk weer uitwaaide. “Ja,” begon toen ook Guiljemus Saldenus, de dominee, met een bevende stem, “ja, die krijg je zo niet meer aan hè, die krijg je niet meer aan, het waait, het glas is uit de sponning,” en hij liep knisperend over de scherven naar het kozijn, terwijl de ongeordende drukte ook via het kozijn op straat probeerde te komen. “Ik weet niet wat dit is, maar het moet een oordeel van God zijn, ja, en iemand moet schuldig zijn, iemand moet schuldig zijn” zei hij. Plotseling draaide hij zich om. Hij riep boven alles en iedereen uit: “Hé, Toni, waar is Antoni van Leeuwenhoek, hij moet weten wat dit is, dit verschrikkelijke, hoe het komt!” en plotseling riep alles en iedereen om Antoni, en niets gaf antwoord, niemand antwoordde. “Hij was wel genodigd, hij zou komen,” wist Catharina nog uit te brengen.

Haar man was ik al een tijdje kwijt, maar toen zag ik hem zitten. Hij was verdwenen naar de hoek waar het schilderij opgesteld stond, en stond daar met allebei zijn handen te woelen in zijn lange krullen. ‘De oude man met de diamant’, hij had er een half jaar aan gewerkt, het schilderij was zojuist in alle pracht onthuld, en nu lag het op de grond en was in één klap niets meer waard. “Nou, Willem, ik denk dat ik dit werk niet meer aan je kan overhandigen,” zei Johannes bedroefd tegen Willem van Erven, de tegelbakker. “Tja,” antwoordde Willem, “en ik ben van mening dat we ons nu ook met andere dingen bezig moeten houden. De maaltijd is kostelijk door uw vrouw bereid, maar het feestmaal zal ons niet meer smaken in deze verschrikkelijke omstandigheden.” En hij wilde al naar buiten gaan, met de chaos mee, maar Johannes bleef aan zijn werk denken en riep hem terug. Hij zei: “Ik maak een nieuw schilderij voor je, Willem, maar dan wordt het een ander schilderij. Ik moest een half jaar tegen deze oude man met zijn diamant aankijken, dat was al te lang. Nee, ik maak een nieuwe, over een dienstmeisje, met een parel.” Willem knikte, maar keek de andere kant op, naar de ongewone drukte op straat, waar “Moord!” en “Brand!” werd geroepen. Willem zei: “Juist, Johannes, maar ik denk dat je je niet zo moet bekommeren om je schilderijen, het bluswerk heeft nu prioriteit.” En Catharina mengde zich er ook in. “Ja, Johannes, jouw knoeiwerk interesseert me nu geen fluit, en we moeten Antoni zoeken!” riep ze, nog steeds met een krijsende stem. Dat geluid drong wel door bij Johannes, en hij probeerde meester over de situatie te worden. “Beste gasten, het feestmaal staat klaar, u heeft uw mooiste kleren aan, alles was gereed, maar in deze situatie kan het niet doorgaan. De wereld staat in brand, en de oude man met de diamant is nu ook niets meer waard! We moeten nu eerst gaan blussen, en de mensen helpen die hulp nodig hebben.”

Maar voor Johannes uitgesproken was, waren we allemaal al buiten. Overal op straat stonden mensen met bange en verbaasde gezichten door elkaar te roepen en te lopen. Guiljemus Saldenus, de dominee, zocht nog steeds naar Antoni. Toen kwam er een kar aan. “Aan de kant! Aan de kant! Een gewonde! Aan de kant!” Iedereen deinsde opzij en haastig kwam de kar voorbij. “Meester Fabritius! Meester Fabritius!” Dat was Johannes Vermeer, hij had de gewonde herkend en kon zich niet meer beheersen. “Waarom was u er niet?” riep hij zijn leermeester toe. Catharina stond naast hem. “Nou, dat weet je best, Johannes,” voegde ze hem toe, “dat weet je best, dat komt door mij. Je weet toch dat hij zo'n strenge protestant is?” “Ach ja, het is waar, vrouw,” reageerde Johannes, “hij is streng, maar toch blijf ik hem bewonderen. Die prachtige felle kleuren…” Zijn vrouw bitst terug: “en dit is zijn eigen schuld! Al had hij wel naar ons feestmaal gekomen, nou, dan was hij nu niet gewond geraakt!” “Ja, vrouw, maar als ik niet met jouw was getrouwd, en protestants gebleven, was hij wel gekomen! Dus het is jouw schuld!” “Niet waar, dat is niet waar, want dan had je heel die opdracht van Willem van Erven niet gekregen, die heb je via mij, je weet toch hoe…” En terwijl zij zo in discussie waren, blies het onderwerp van hun ruzie zijn laatste adem uit. “Leve … leve de … prins,” fluisterde Carel, en hij was niet meer.

Het meisje met de parel

“Antoni!” riep toen Guiljemus Saldenus, de dominee, ineens, boven alles uit. Hij had zijn keppeltje verloren, dat zag er wel grappig uit, maar dat maakte niet uit. Eindelijk had hij Van Leeuwenhoek ontdekt. “Waar was je, wat is er gebeurd, wie is er schuldig aan de dood van Fabritius?” Het was opeens veel stiller. Van Leeuwenhoek, die vindingrijke, slimme linnenhandelaar, de ingenieur van de zeventiende eeuw, deed zijn mond open, en sprak, zeggende: “Guiljemus.” Zo begon hij, want hij was katholiek, en hoefde niet 'dominee Saldenus' te zeggen, “Guiljemus, het is heel erg, en nu weten jullie allemaal ook wat het Secreet van Holland is!” “Het Secreet, oh, het secreet,” hoorde ik iemand achter mij fluisteren. Maar Antoni ging verder. “Het kruithuis, dat was het geheim van Nederland! Ik wist ervan, maar weinig mensen wisten het. Het buskruit is allemaal ontploft en de hele buurt rond de Geerweg is met de grond gelijk gemaakt. Negentigduizend pond! De ramen zijn er overal uit, tot aan de kerk. We mogen van geluk spreken dat niet veel meer mensen zijn omgekomen. Maar… Johannes! Waar ben je!” En toen kwam de ware ingenieur naar boven bij Antoni van Leeuwenhoek. Hij zei: “Mensen, hoe raar het ook klinkt, we moeten deze ramp ook van de luchtige kant bekijken! Meester Vermeer, onlangs lid geworden van het Lucas Gilde, presenteerde deze ochtend zijn nieuwe schilderij 'de oude man met de diamant', en daar waren veel mensen naartoe. Vanwege het feestmaal van Johannes zijn er niet meer mensen omgekomen! Het feestmaal van Johannes, het feestmaal der behoudenis!” “Nou, wat je luchtig noemt,” bromde Johannes, “als ik in één ogenblik mijn goede meester Fabritius en mijn nieuwste schilderij verlies, noem ik dat niet luchtig.” Niet iedereen had het volgens mij verstaan, maar toch ging Antoni er luid op in. “Johannes, goede vriend, als ik het leven niet luchtig bekijk, dan doe ik al die uitvindingen niet, de camera obscura, de andere dingen. En het hele gebied rond de Geerweg, daar was toch niet zoveel aan. Ik ben bereid een deel van mijn vermogen te geven om de huizen opnieuw te bouwen. En daar ben ik blij mee, want dan kan onze stad nog meer pracht tonen! Laten we nieuwe, stenen huizen bouwen! Nieuwe perspectieven voor Delft! En dát bedoel ik met luchtig!” Veel mensen keken nu echt verbaasd, maar sommige mensen begrepen de ingenieur wèl, en applaudisseren.

Maar Guiljemus Saldenus, de dominee, was nog niet tevreden. “Maar hoe kwam het dan, Antoni, wie is de oorzaak van dit oordeel, wie is er schuldig aan de dood van Fabritius, hoe komt het?” vroeg hij. Ik drong zo dicht mogelijk naar hen toe, en kon net verstaan wat Van Leeuwenhoek zachtjes terugzei. “Wist u van het Secreet, het kruithuis?” vroeg Antoni. En Guiljemus Saldenus, de dominee, antwoordde: “Nee, waar was het dan?” “Om de hoek bij Carel Fabritius, aan de Geerweg, 90.000 pond buskruit lag er opgeslagen, en weet je Guiljemus, eigenlijk is het gewoon mijn schuld. U weet toch van mijn camera obscura?” Saldenus keek verbaasd. “Is dat die kijkdoos?” “Ja,” ging Antoni verder, “Ja, wat Johannes Vermeer gebruikte voor zijn schilderij van de oude man. Welnu, dominee, met deze prachtige vinding wilde ik een keer het buskruit onderzoeken. Als ik het buskruit vergroot kan zien, kan ik misschien ontdekken waar de geheimzinnige kracht van het vuur in zit.” Ik spitste mijn oren. Ik snapte het nog niet helemaal. Maar de dominee gelukkig ook niet. Hij vroeg: “Maar jij was toch niet in het kruithuis, je bent toch niet omgekomen, Antoni, waar was je dan?” “Nou dominee, niemand mag in het kruithuis komen, dan alleen de commies van het land.” De dominee onderbrak hem weer. “Commies Soetens? Wist hij ervan?” En Antoni zei: “Ja, Cornelis Soetens ja, hij moet ook omgekomen zijn. Ik had al een privilege, dat ik van het Secreet wist. Vorige week vroeg ik om een monster van het buskruit, en dat is mij toegezegd. Vanochtend zou Commies Soetens dit voor mij halen. Ik moest natuurlijk naar het feestmaal van Johannes, ter ere van de oude man met de diamant, maar ik was zo nieuwsgierig, ik wilde het snel hebben, dus heb ik hem opgedragen veel haast te maken, en daardoor moet het fout zijn gegaan, had ik nou maar gewacht met dat kruit, nu is het mijn schuld…” Ik was nu zo nieuwsgierig geworden hoe deze ramp plaats heeft kunnen vinden dat ik 'De Javu' uit mijn broekzak haalde en loskoppelde. Ik ging weer terug naar de Raamstraat, terug naar 12 oktober 2010, en zette een nieuw glas thee. Ik wist nu precies waar ik moest zijn, en zette 'De Javu' op de passieve modus. Zo was ik niet aanwezig bij de gebeurtenissen, maar kon ik het wel op mijn beeldscherm volgen; anders had ik het dinsdag natuurlijk ook niet overleefd. Ik begon bij het huis van Antoni van Leeuwenhoek…

“En opschieten hè, Cornelis, ik moet snel naar het feestmaal van Johannes!” Klonk door mijn speakers. Dat was Antoni. Ik zoomde in en zag iemand staan, dat moet dus die commies zijn, wat dat ook moge zijn. Hij was krom en praatte stotterend. “Ja, ja, ik ga al, ik ben zo snel mogelijk terug, u wilde twee pond hebben, toch?” “Ja, inderdaad, twee pond,” zei Antoni ongeduldig, “dan heb ik in ieder geval genoeg, maar schiet nu maar op!” Cornelis Soetens strompelt de deur uit, en struikelt daarbij bijna over een stapel laarzen. Hij trekt zijn kap diep over zijn hoofd en begeeft zich zo snel hij kan richting de Geerweg. Ah, wat grappig, hij trekt met zijn been. Hé, wat hoor ik? “Mankepoot, waggelaar,” ik draaide het beeld en zag twee kleine jongetjes uitdagend naar de Commies toe rennen. Soetens hinkte nog harder door. Bij de Doelenstraat ging hij de hoek om, en dan naar de vierde deur.

De klopper klonk ver door in de gang, en het was een verschrikkelijk moment voor de geschiedenis van Holland toen de deur openging, toen Cornelis Soetens, de Commies, met zijn manke been naar binnen stapte, en twee jongenshanden in zijn rug voelde, toen het schateren door de hele straat klonk, maar niet lang, want Cornelis Soetens, de Commies, struikelde met het woord 'kwajongens' nog op zijn lippen, en een gigantische lichtflits en een enorme dreun vervulde het luchtruim van west-Nederland.

In de binnenstad van Delft was een krater geslagen. Het was 12 oktober 1654. Maar ik leef nog en ik heb gezegd.

26 October 2010
By on 16:07
Verhalen in de schemering

Een vogelvlucht over de Noorse literatuur.

Het onderstaande is geschreven voor de reisgids van een vakantie naar Noorwegen met de studentenvereniging C.S.F.R. Delft.
Schemer
Het schemert en het is kil. De nacht duurt lang, erg lang, of kort. Het vuur wordt ontstoken en een rauwe stem vertelt. Van de zwijgende reus, zwemmend in de regen. Over het water, onstuimige stroom of stille spiegel. Het bos, zingend in de wind en overal. De rotsen, grauw. Helden, wraak en hartstocht.

De stem is van de skald. Hij dicht, verbindt god met mens en wekt de mythologie tot leven. Snorri Sturluson, de skald, vertelt niet alleen met zijn stem, maar ook met zijn pen, en nu zijn spraak is verdwenen, is het geschrift nog gebleven. Snorri Sturluson heeft in de dertiende eeuw het verhaal gered met zijn ‘Proza-Edda’, een handboek voor dichters met de oude Scandinavische sagen en richtlijnen voor Skaldische dichters. Hij schrijft nog meer en zo heeft de Noorse literatuur een begin.

De stem wordt zwakker, onduidelijker en valt bijna in slaap. Tot halverwege de negentiende eeuw; dan leeft de historie weer op. Het romantische verhaal maakt plaats voor het realisme en sprookjes bloeien op tot wereldliteratuur. Vier grote meesters laten van zich horen, vertellen het verhaal en bezorgen de Noorse literatuur haar Gouden Eeuw. Misschien de grootste van de ‘Grote Vier’ is Henrik Ibsen (1828-1906); hij bedacht toneelstukken, was de aartsvader van het moderne realistische drama en schreef het terecht overbekende sprookje van Peer Gynt op. Bjørnstjerne Bjørnson (1832-1910) was ook een ‘Grote’ en ontving in 1903 de Nobelprijs voor de Literatuur. Verhalen ontwikkelen onder zijn pen tot politieke proporties, en hij schrijft de tekst voor het Noorse volkslied. De andere twee ‘Groten’ zijn Alexander Kielland (1849-1906) en Jonas Lie (1833-1908).

De stem van het Noors wordt soms overstemd door het Deens, maar is op zoek naar een eigen taal. Tot nu toe is alles in het Deens-Noorse ‘Bokmål’ (boekentaal) geschreven. Bjørnstjerne Bjørnson experimenteert met het opschrijven van de Noorse Landsmål (landstaal) en de dichter Ivar Aasen (1813-1896) legt uiteindelijk de grammaticale en literaire basis voor dit Nynorsk, de taal voor ongeveer vijftien procent van de Noorse bevolking in 2010.

De stem, in welke taal dan ook, zal blijven vertellen. De bossen blijven zingen, de nevels blijven hangen, cultiveren gebeurt slechts op kleine schaal. Maatschappelijke ontwikkelingen in Europa klinken niet ver door in Noorwegen, en het verhaal blijft het verhaal. De toon van Knut Hamsun (1859-1952) vertelt ons echter dat ‘provinciaal’ niet ‘achterlijk’ betekent. De klank, eerst al realistisch geworden, wordt steeds feller. Hamsun gelooft in de ‘Übermensch’ van Nietszche, en wantrouwt tegelijk alle moderne dingen. Het woeste landschap wordt geëerd; alleen het werken op het land kan de mens voldoening schenken. In 1920 ontvangt Knut Hamsun hiervoor de Nobelprijs. Zijn donkere stem draagt ver: weinig moderne auteurs zijn niet bewust of onbewust erdoor beïnvloed. Na de Tweede Wereldoorlog wordt zijn geluid echter tijdelijk gedempt vanwege zijn sympathieën voor het nazisme.

De stem van de vrouwelijke schrijfster Sigrid Undset (1882-1949), kleurrijk en menselijk, maakt prachtig contrapunt met de mannelijke stem van Knut Hamsun. Zij moet juist tijdens de oorlog haar vaderland ontvluchten, blijft het verzet steunen, en keert na de oorlog weer terug. Deze rasvertelster ontvangt in 1928 de Nobelprijs voor haar boeiende trilogie van het middeleeuwse leven van Kristin Lavransdochter.

De stem blijft na de oorlog onverminderd de histories vertellen. De ruige natuur, opgeschrikt door kogelschoten, vliegtuigen en brandende huizen kan echter niet meer dezelfde blijven. Ook de verworvenheden van de Verlichting dringen langzaam door in het donkere Noorwegen. Fluisterend of luidkeels worden taboes en oude conventies doorbroken. Er is sprake van een ‘Noorse golf’, die begint met aandacht voor de vrouw in de verhalen van onder anderen Herbjørg Wassmo (1941). Zij schreef, evenals Undset, een aangrijpende trilogie met een vrouw in de hoofdrol. Ook het politieke geluid blijft klinken; Dag Solstads (1942) vroege werk is, tijdens de Koude Oorlog, bijzonder controversieel vanwege zijn communistische sympathieën.

De stem spreekt, vertelt ook vandaag. Hoewel de woeste natuur moet indammen, de fascinerende rijkdom aan verhaallijnen, personages en anekdotes blijft. De Noorse mens wordt beschouwd en bekritiseerd. Grote vertellers zijn Lars Saabye Christensen (1953), Erik Fosnes Hansen (1965) en Jan Kjærstad (1953). Er duikt een derde trilogie op in de vogelvlucht: ‘De verleider’, ‘De veroveraar’ en ‘De ontdekker’ van Kjærstad laten de geschiedenis van Jonas Wergeland niet chronologisch, maar vanuit drie invalshoeken zien, zodat zijn levensverhaal nooit ophoudt en steeds opnieuw begint.

De stem zal nooit zwijgen. Niets vindt zijn einde in de dood, zegt Hamsun. Het bos is kleiner, de fjorden blijven grillig. Het regent, de zon schijnt. Het is licht, het is donker, het schemert en het is kil.

Naar aanleiding van:

• Knut Hamsun – Pan (1894)

• Knut Hamsun – Hoe het groeide (1917)

• Sigrid Undset – Kristin Lavransdochter-trilogie: Vrouw, Het kruis, De bruidskrans (1922)

• Herbjørg Wassmo – Tora-trilogie: Huis met de blinde serre, De stille kamer, Huidloze hemel (1986)

• Dag Solstad – T. Singer (1999)

• Lars Saabye Christensen – De Halfbroer (2001)

• Erik Fosnes Hansen – Koraal aan het einde van de reis (1990)

• Jan Kjaerstad – Jonas Wergeland-trilogie: De verleider, De veroveraar, De ontdekker (1999)

Al deze boeken zijn erg aan te bevelen!

29 September 2010
By on 12:01
Programma eindexamen

Dit is de toelichting die ik bij mijn eindexamen, afgelopen juni, heb geschreven.

Transeptorgel Hoofdorgel 

Transeptorgel:

1. Henry Purcell (1659-1695) – Voluntary for a double organ

Door de grillige en virtuoze retoriek van deze muziek wanen we ons helemaal in het Engeland van de zeventiende eeuw. Het woord ‘Voluntary’ betekent dat het een ‘vrij’ werk is, vergelijkbaar met ons woord ‘Fantasie’. Deze stukken werden opgeschreven om te laten zien hoe je moest improviseren. Dit werk is geschreven nadat het orgel met twee klavieren (‘double organ’) werd ontwikkeld. De componist laat zijn fantasie de vrije loop en gebruikt hiervoor beide klavieren.

2. Johann Sebastian Bach (1685-1750) – Allein Gott in der Höh' sei Ehr, BWV 676

Naast de beide klavieren, wordt in dit trio het pedaal gebruikt. Het is echte kamermuziek, waarbij de drie instrumenten hun eigen weg gaan. Deze koraalbewerking is de middelste van 3 bewerkingen over dezelfde melodie; samen vertegenwoordigen zij het ‘Gloria’ in de ‘Grote Orgelmis’ van Bach. Aan God de eer! De componist gebruikt een elegante en rustige 6/8 maat als verklanking van de vrede die er is dankzij Gods genade.

Hoofdorgel:

3. Wim de Ruiter (1943) – Square

‘Square’ bestaat uit vier korte delen. Elk deel verwijst in het slot naar het volgende deel en het vierde deel eindigt met de muziek van het eerste deel, zo is de kring weer gesloten. Het eerste deel is scherp en onrustig van aard. Het begint met een lange uitgeschreven triller, die steeds verder ontwikkeld wordt tot toonladder. Hierna klinkt een zwoel adagio, met rijk versierde variaties op het gepresenteerde thema. Het swingende derde deel is gebaseerd op een jazzy ‘walking bass’ met napikkende akkoorden. Daarboven klinkt een quasi-geïmproviseerde solostem. De swing wordt af en toe fel onderbroken. ‘Square’ sluit af met een turbulente fuga. Hierin voeren twee karakters een strijd: een felle, woeste triller met één slag, en een kort melodieus triolenmotief.

4. Robert Schumann (1810-1856) – Canonische etude no. 5 in b

De pedaalvleugel (vleugel met toegevoegd pedaalklavier) is een instrument dat nooit een belangrijke rol heeft gespeeld, maar Schumann was er erg enthousiast over. Hij schreef er in 1845 een aantal stukken voor, die tegenwoordig vaak op orgel worden gespeeld. Dit canon komt met een paar kleine aanpassingen volledig tot zijn recht op het orgel, en werkt goed als kort intermezzo tussen de twee grote werken in.

5. Joseph Jongen (1873-1953) – Sonata Eroïca

Het werk van de Belgische componist Joseph Jongen kent veel invloeden, misschien is de invloed van César Franck en Claude Debussy het belangrijkst. Hij schreef vooral ‘absolute’ muziek; muziek zonder programma of verhaal. Maar een werk met de titel ‘Sonata Eroïca’ vraagt natuurlijk om een heldenverhaal! Docent Bas de Vroome bracht mij op de analogie met het Bijbelse verhaal van David en Goliath uit 1 Samuël 17. De sonate opent met het schreeuwerige, trotse monoloog van de reus Goliath. Hij bespot de Israëlieten, want niemand durft hem aan. Als de blik op het kamp van Israël gericht wordt, horen we hen terugdeinzen. Met de kalme, vredige introductie van het thema wordt de focus verlegd naar David, de herdersjongen. Hij krijgt een woordenwisseling met zijn broers en met koning Saul, omdat hij wil dat de spotter Goliath de mond gesnoerd wordt. Terwijl de onrust toeneemt, trekt David zich in stilte terug. Hij vertrouwt op God, en bidt tot Hem om Zijn hulp. Dan loopt hij op Goliath af, die hem weer smalend toespreekt. De reus wordt echter geveld door de eerste steen die David naar hem slingert, en die door God bestuurd is. Trots en heroïsch klinkt dan het thema. In de volgende fuga vluchten de Filistijnen, en tenslotte juicht het volk Israël triomfantelijk.

Geluidsopnamen van de nummers 3 en 5 zijn te vinden op mijn website!

24 September 2010
By on 11:16
Orgelconcert: waarom niet?

Terwijl organisten hun instrument chauvinistisch ‘Koning’ noemen, blijven de bezoekersaantallen van hun concerten (in Nederland) dalen. Het is een raar verschijnsel. De bespelers van het instrument blijven krampachtig wijzen op het majestueuze verleden, en de gemiddelde muziekminnende Nederlander lijkt dat te negeren. Veel organisten zagen en zien dit, en hebben er hun zegje over gedaan. Symposia zijn belegd, tijdschriften zijn volgeschreven en tegenstanders zijn ontwaakt. Want ja, er is ook nog veel voor te zeggen dat de belangstelling voor het orgel juist groeit. Het is maar net hoe je het bekijkt… Duidelijker wordt het er in ieder geval niet op. Wat moeten we nu?

In deze discussie zijn veel omstandigheden genoemd, die wel of niet van invloed zouden zijn op de belangstelling bij een orgelconcert. Hoe meer ik er over las, hoe meer zin ik kreeg om dit allemaal te controleren. Alles is even aannemelijk, maar werkt het nu echt zo? In het kader van een scriptie, als afsluitend onderdeel van mijn bacheloropleiding orgel, heb ik dit onderzocht. Hierin heb ik de bezoekersgegevens van een aantal uiteenlopende orgelconcertseries naast andere gegevens gelegd. Bereikbaarheid, programmering, bekendheid van de uitvoerenden, historiciteit, en nog veel meer zaken. En wat blijkt? Het maakt allemaal verrassend weinig uit. Nee, ook niet de grootte van het orgel, en ook niet het feit of er een toelichting bij de muziek gedaan wordt. De enige factor die echt duidelijk van invloed is, en dat verbaast me niet, is de reclame. Het is blijkbaar echt zo eenvoudig: meer publiciteit, meer bezoekers. Het ‘meelift-effect’ is vooral erg groot. Concerten die gecombineerd worden met festivals, tentoonstellingen of open dagen kunnen rekenen op een verdubbeling van het aantal bezoekers.

Orgel + concert
 Maar, voordat alle organisten en concertorganisatoren die dit lezen nu denken eindelijk de succesformule gevonden te hebben, wil nog een kanttekening maken. Het is waarschijnlijk niet zo dat volgend jaar half Nederland op orgeljacht gaat als er in de pauze van de WK-finale een spotje met orgelreclame is uitgezonden. De onderlinge verschillen tussen orgelconcerten zijn wel onderzocht, maar daarmee is natuurlijk nog niets gezegd over de belangstelling voor het orgel in het algemeen. En naar mijn mening moeten organisten in het algemeen gewoon hun geldingsdrang opgeven. Zich niet in experimentele of populistische bochten wringen voor meer bezoekers, maar leren leven met het feit dat niet elke Nederlander op hun muziek zit te wachten! Het aanbod van orgelconcerten is, in verhouding tot de potentiële belangstelling, belachelijk groot. Het is natuurlijk wel begrijpelijk: het is niet zo moeilijk op je eigen instrument, in je eigen kerk, een serie concerten op te zetten; een symfonieorkest heeft het dan organisatorisch wat moeilijker. Het meest basale sommetje uit de economie leert dat dit veel te grote aanbod (en ik werk er ook met plezier aan mee!) leidt tot lage bezoekersaantallen per concert. Zullen we allemaal komend jaar van elke 10 concerten er ééntje niet spelen?

Oja, voor ik mijn broodnodige reclame vergeet, kijkt u ook even in de concertagenda op mijn website?


By on 11:08