Toelichting orgelconcert Zaltbommel
Op zaterdag 20 augustus geef ik een orgelconcert om 16:00 in de Sint-Maartenskerk Zaltbommel.
Hieronder de toelichting bij het programma, meer informatie over concerten op http://bertvanstam.nl/agenda.htm.
Johann Sebastian Bach (1685-1750) – Toccata in d kl., BWV 538
Bachs Toccata in d kl. is vermoedelijk ontstaan tussen 1714 en 1717. In die tijd was Bach organist van de Hofkapel te Weimar. Hij kwam er in aanraking met allerlei buitenlandse muziek. Zo bewerkte hij veel muziek van o.a. Vivaldi voor orgel en klavecimbel. Deze Italiaanse sfeer hoor je duidelijk in zijn orgeltoccata terug. Met het orkest op het ene klavier, en de solist op het andere klavier is het een onvervalst 'concerto grosso'. Maar dan met het verschil dat Bach er zijn onnavolgbare genialiteit aan toevoegt: stemmen die op hetzelfde moment dwars tegen elkaar ingaan, ritmische verschuivingen en harmonische imitaties.Deze virtuoze toccata is het enige orgelwerk van Bach waarin gedetailleerde klavierwisselingen genoteerd staan. Hoewel de autograaf (Bach’s eigen handschrift) verloren is gegaan, mogen we aannemen dat dergelijke klavierwisselingen alleen door Bach zelf kunnen zijn bedacht. Het is duidelijk dat hij dit stuk heeft gedacht als een tweegesprek, een dialoog tussen twee "personen" die voortdurend op elkaar reageren, elkaar becommentariëren, kortom steeds met elkaar in gesprek zijn.
Michael Radulescu (1943) – Ricercari
Radulescu is een Roemeense organist componist, die nu woont en werkt in Wenen. Hij is erg geïnteresseerd in middeleeuwse en renaissance-muziek, en laat zich daardoor ook graag inspireren.In 1984 schreef hij de 'Ricercari', die opgedragen werden aan de Canadese organiste Monique Gendron. Het werk is sterk geïnspireerd op middeleeuwse vormen, zoals de titels ook al doen vermoeden. Op die manier klinkt in dit werk zowel de oudste als de nieuwste muziek van dit concert.Net als Olivier Messiaen, heeft Radulescu eigen toonsystemen ontwikkeld. De toonladders die in de 'Ricercari' gebruikt zijn, herhalen zich echter niet elk octaaf, maar strekken zich als het ware over het hele klavier uit.
De titel van het eerste deel, 'Organa', is ontleend aan de alleroudste vorm van meerstemmigheid: het 'organum', waarbij stemmen elkaar met een vaste onderlinge afstand volgen. Dit wordt in een ijzeren ritme in de linkerhand gespeeld. Een groter contrast is niet mogelijk als daartegenover in de rechterhand een beweeglijke, éénstemmige melodie klinkt: als een bezwerende middeleeuwse fluitspeler. Toch ontmoeten beide lijnen elkaar in het stuk.
In het tweede deel, 'Versus', klinkt weer zo'n beweeglijke melodie, maar nu veel grilliger en scherper. “Scherp en prikkend, alsof iemand de duisternis probeert te doorboren,” zo omschreef Monique Gendron het deel. Deze melodie laat wel haar sporen na: op de achtergrond groeit langzaam een akkoord. Het deel eindigt met een anticlimax waarin het ontwikkelde akkoord tenslotte weer langzaam oplost.
Meteen daarna start het laatste deel. De naam 'Estampie' komt bij een middeleeuwse dansvorm vandaan. Het stuk kent een sterke ritmische drive, die maar één keer echt onderbroken wordt. Monique Gendron schreef over dit deel: “dansend, jubelend en uiteindelijk wervelend.” Doordat je als luisteraar voortdurend een zet in je rug krijgt, word je volledig meegezogen naar het slot van het stuk.
Max Reger (1873-1916) – Fantasie en fuga in d kl., Op. 135B
Net als Radulesco zo geïnspireerd wordt door middeleeuwse muziek, zo was Max Reger een bewonderaar van Bach en zijn muziek. Zijn uitspraak “Bach ist Anfang und Ende aller Musik” (Bach is het begin en het einde van alle muziek) is erg bekend.De muziek van Max Reger wordt tot de laatromantiek gerekend: romantisch, zo extreem, dat het bijna uit zijn voegen barst. Hij combineerde de lyriek en grilligheid van de romantiek met de strenge vormen en het prachtige contrapunt van Bach. Later in zijn leven begon hij echter steeds kleinschaliger te componeren: kortere stukken, die lichter van karakter en minder in contrasten geschreven zijn.De Fantasie en fuga in d kl. werd geschreven in 1916, het laatste levensjaar van de componist. Het lijkt wel alsof de componist in dit werk nog één keer laat horen wat hij in zijn vroegere jaren deed. Alle extreme contrasten, alle grilligheid en de meest bizarre harmonische ontwikkelingen die hij kon bedenken worden samengebald in dit werk van twintig minuten.Uit een introductie als een waterval komt meteen een stralend d-majeur akkoord tevoorschijn. Mysterieuze, verstilde muziek in één of twee lange lijnen, wordt afgewisseld met complexe muziek vol donderende adrenaline, en wanneer er een oplossing lijkt te komen gaat de muziek toch weer verder van huis. Uiteindelijk komt het goed in een d-groot akkoord.
Hierna start de fuga, een meesterwerk. Het eerste thema is een extreem langzame, prachtig lyrische melodie waarin 11 van de 12 chromatische tonen voorkomen. Wanneer we dit thema van alle kanten hebben gehoord, wordt het tweede thema geïntroduceerd. Dit is, in contrast met het eerste thema, een puntig, dansend ritme. Het klinkt zelfs sarcastisch, met al de harmonische wendingen, de plotselinge groepjes gebonden noten, en het niet al te hoge tempo. Een 'kikkerdans'. Ook dit thema wordt ontwikkeld, maar dan komt het eerste thema weer tevoorschijn. Beide thema's worden gecombineerd. Onstuitbaar komt de muziek over ons heen; steeds sterker en steeds langzamer, steeds zwaarder, alsof het slotakkoord geboren moet worden. En natuurlijk gebeurt dat uiteindelijk: D-MAJEUR!
Carl Philipp Emanuel Bach (1714-1788) – uit Sonate in f gr., WQ 70/3, H 84
Het is jammer dat Carl Philipp altijd in de schaduw van zijn vader zal blijven staan. Zijn muziek kent een heel eigen stijl, die nog het beste met het woord 'elegant' omschreven kan worden.Hij schreef veel muziek voor klavecimbel, en ook wat sonates voor orgel.Net als de muziek die tot nu toe geklonken heeft, is het eerste deel van de sonate in f groot gebaseerd op 'contrast'. Het verschil is dat deze muziek niet zwaar en groots is, maar juist kleinschalig en gezellig klinkt. Net als in de toccata van de vader van Carl Philipp wordt het contrast hier gerealiseerd door klavierwisselingen. Het is alsof een man en een vrouw met elkaar in gesprek gaan. Elk van beiden met het eigen stemgeluid herhalen, beantwoorden en beïnvloeden ze elkaar.
Felix Mendelssohn Bartholdy (1809-1847) – Sonate nr. 1 in f kl., Op. 65/1
Wederom een werk dat gebaseerd is op het contrast tussen twee uitersten. Het eerste deel kan gezien worden als een stevige preek, met als thema de tekst “Wass mein Gott will, das g'scheh' allzeit”. Na een statige inleiding klinkt onrustige muziek (de mens die zich niet wil overgeven aan de wil van God?). Stemmen buitelen over elkaar heen op een fugatische manier. Deze opgewonden muziek houdt plotseling op om plaats te maken voor een langzaam gespeelde regel van het koraal van “Wass mein Gott will…” (de overgave aan God?). De onrust geeft zich echter niet zomaar gewonnen en probeert het nog maar eens. Zo wisselen onrust en overgave elkaar af tot ze aan het eind bij elkaar komen.Na deze stevige 'preek' klinkt een 'vroom antwoord van de gemeente': het tweede deel. Het kan ook gezien worden als een 'Lied ohne Worte', maar dan voor orgel. Prachtige lijnen wisselen elkaar in vraag- en antwoordvorm af. Hierna keert het contrast weer terug in het derde deel; een vrije stem ('recitando') afgewisseld met akkoorden die staan als een huis. Na een lange koraalachtige lijn, die weer terug doet denken aan het eerste deel, wordt aangevallen met het laatste deel. Een bruisende finale golft over ons heen. Na een laatste 'golf' over het hele klavier wordt de sonate luid en duidelijk afgesloten.
Bert van Stam, augustus 2011
